Nederland is al geen productie-economie meer en doet nu uitermate hard haar best om ook af te vallen als kenniseconomie.
Dat wij ver onder het Europese gemiddelde scoren en dat het internationale onderzoek PISA al jarenlang een dalende lijn bevestigt voor ons land, is op zijn zachtst gezegd enigszins zorgwekkend in een toenemende kenniseconomie.
Gelukkig is Nederland niet laatste op de Europese ranglijst. Dat is Griekenland.
Punt is, dit is geen nieuws. Een krantenkop in juni 2025:
“Structureel geld voor leesbevordering: ’Lezen is van levensbelang’”
Gelukkig kondigde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toen aan dat het vanaf 2028 vijftig miljoen euro per jaar ging bijdragen aan BoekStart en Bibliotheek op school.
Dat Nederland in het PISA-onderzoek in 2026 vervolgens nog beroerder scoort, geeft te denken en het politieke commentaar bemoedigt helaas in mindere mate. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Judith Tielen heeft aangegeven dat zij bij het volgende PISA-onderzoek betere resultaten wil zien op lezen.
Hoe dan?
Nederland heeft aan onderwijs nominaal weliswaar meer geld uitgegeven dan tien jaar geleden, vooral tussen 2020 en 2024, maar onderwijs kromp juist als percentage van de totale economie en rijksbegroting. Sinds afgelopen jaar verschuift het beleid juist naar structurele bezuinigingen, met de grootste impact in het hoger onderwijs en onze wetenschappelijke studies.
Met de toenemende impact van de digitale economie en de opmars van artificial intelligence moet er duidelijk en bewust in het onderwijs geïnvesteerd worden.
Dat doen wij niet.
Tijd om ons onderwijs serieus te nemen.
De noodzaak en signalen liegen er niet om.